R: Goed. Margie! M: Ja? R: Ik heb een spreekwoord voor je. Of een gezegde. Ik weet het verschil nooit. R: Wat betekent "Haastige spoed is zelden goed"?
M: Dat betekent, dat het niet verstandig is om haast te hebben. M: Het zegt eigenlijk dat als je haast hebt, dat het meestal niet goed afloopt. En het legt verder niet uit waarom. M: Het is eigenlijk een pleidooi om de tijd te hebben voor dingen.
R: En wanneer zou zo iemand dat zeggen? Wanneer zegt iemand dat?
M: Nou stel je voor, jij gaat 's ochtends hier de deur uit en je hebt haast. Je pakt je spullen snel bij elkaar. En je pakt je tas op, maar je hebt zoveel haast dat je daarom juist alles uit je handen laat vallen. M: Dan zou ik tegen je kunnen zeggen: haastige spoed is zelden goed. R: Neem de tijd. M: Als je gewoon rustig had gedaan, had je 'm niet laten vallen. Nu ben je nog meer tijd kwijt dan wanneer je gewoon rustig had gedaan.
Vandaag een voordracht van Patrick Kicken, een Nederlandse radio DJ, over onregelmatige werkwoorden. Zijn verhaal is enkel te volgen wanneer je de Nederlandse taal erg goed begrijpt!
Video
Tekst
Nederlands is voor buitenlanders moeilijk te leren, maar weet je ook waarom? Na het lezen van onderstaand gedicht is het je vast duidelijk.
Men spreekt van één lot, en verschillende loten, maar 't meervoud van pot is natuurlijk geen poten. Zo zegt men ook altijd één vat en twee vaten, maar zou je ook zeggen: één kat en twee katen?
Laatst ging ik vliegen, dus zeg ik vloog. Maar zeg nou bij wiegen beslist niet: ik woog, want woog is nog altijd afkomstig van wegen, maar is dan 'ik voog' een vervoeging van vegen?
Wat hoort er bij 'zoeken'? Jazeker, ik zocht, en zegt u bij vloeken dus logisch: ik vlocht? Welnee, want vlocht komt van vlechten. En toch is ik 'hocht'niet afkomstig van hechten.
En bij lopen hoort liep, maar bij kopen geen kiep. En evenmin zegt men bij slopen 'ik sliep'. Want sliep moet je weten, dat komt weer van slapen. Maar fout is natuurlijk 'ik riep' bij het rapen.
Want riep komt van roepen. Ik hoop dat je 't weet en dat je die kronkels beslist niet vergeet. Dus: kwam ik je roepen, dan zeg ik 'ik riep'. Nu denk je: van snoepen, dat wordt dan 'ik sniep'?
Alweer mis, maar je weet beslist, dat ried komt van raden, ik denk dat je 't wist. Komt bied dan van baden? Welnee, dat wordt bood. En toch volgt na wieden beslist niet 'ik wood'.
'Ik gaf' hoort bij geven, maar 'ik laf' niet bij leven. Dat is bijna zo dom als 'ik waf' hoort bij weven. Zo zegt men: wij drinken en hebben gedronken. Maar echt niet: wij hinken en hebben gehonken.
't Is moeilijk, maar weet je: van weten komt wist, maar hoort bij vergeten hoe logisch vergist? Juist niet, zul je zeggen, dat komt van vergissen. En wat is nu goed? Je moet 't zelf maar beslissen:
hoort bij slaan nu: ik sloeg, ik slig, of ik slond? Want bij gaan hoort: ik ging, niet ik goeg of ik gond. En noem je een mannetjesrat nu een rater? Dat geldt toch alleen bij een kat en een kater.
Je ziet; onze taal, beste dames en heren, is net als ik zei, best moeilijk te leren!
R: Margie? M: Ja! R: Wat is een "patatje oorlog"? M: Een patatje oorlog is volgens mij, maar ik ben niet zo thuis in de patatjes, een patatje - oftwel friet, het hangt ervan af waar in Nederland je woont of je "patat" zegt of "friet" - en oorlog is volgens mij: satesaus en mayonaise. M: En satesaus heet ook wel "pindasaus". R: Ja, en nou ga ik jou aanvullen, want gebruikelijk is het om daar rauwe ui bij te eten. Maar dat is een keuze. M: Oh, en rauwe uitjes. R: En je zei dat afhankelijk van waar je in Nederland woont is het "friet" of "patat", hoe bedoel je dat? M: Nou, ik kom uit de buurt van Eindhoven en ik heb ook in Maastricht gewoond en dat is dus het zuiden van Nederland. En daar zeg je "friet"; daar zeg je echt geen "patat". M: En hier in Den Haag en in Amsterdam zeg je patat. En - ik weet niet - jij komt uit het Noorden, wat zeg je daar? R: Een patatje... ja. Friet is eigenlijk een beetje frans. M: Nee, in het zuiden zeg je echt "friet". Daar zeg je echt geen patat. R: Duidelijk, dankjewel.
R: Margie, hallo! M: Ja, hallo. R: Ik heb een taalkundige kwestie. M: Okee. R: Je zegt "het huis", "het huisje", "het boek", "het boekje". R: Maar... "de boom", "het boompje" en "de fiets", "het fietsje". R: Waarom is het niet "de boompje" of "de fietsje"? M: Omdat volgens mij alle verkleinwoorden altijd "het" zijn. Dus als je van een woord een verkleinwoord maakt, en dat doe je door d'r "je", "tje" of "pje" achter te zetten. Dat hangt van het woord af, dan wordt het automatisch altijd "het boompje", "het huisje", "het fietsje". R: Okee, dus "de fles"... M: "het flesje" M: "de appel", "het appeltje". Ja, volgens mij gaat dit altijd op. R: "het ei" M: "het eitje". Ja, dus het maakt niet uit wat het originele (lid)woord is. Het verkleinwoord is altijd "het". R: Dus het is nooit "de meisje"? M: Het is nooit "de meisje", ook al hoor je dat wel vaak zeggen.
Extra
We hebben het over "bepaalde lidwoorden": de of het. Margie stelt dat wanneer een zelfstandig naamwoord verkleind wordt, dit altijd het als bepaald lidwoord heeft.
Bij het onbepaalde lidwoord: een, is er geen verandering zichtbaar: een huis, een huisje.
R: Margie wat is een stapelbed? M: Een stapelbed!? Ehm... M: Een stapelbed, dat zijn eigenlijk twee bedden boven op elkaar. Maar dan wel met ruimte ertussen. M: En dat is vooral voor kinderen. Voor mensen die bijvoorbeeld maar 1 slaapkamer hebben, en ze hebben twee kinderen. Dan kunnen die kinderen bijvoorbeeld in een stapelbed. M: Dan kan d'r eentje kan beneden slapen. En de ander gaat met een trapje naar boven en die kan dan op de bovenste matras slapen. R: Met een trapje? M: Ja. R: Okee, dankjewel. M: En kinderen vinden stapelbedden meestal heel erg leuk. En kinderen willen dan ook altijd bovenin slapen. R: Maar kom je dan niet met je hoofd tegen het plafond? M: Eh, nee, want zo hoog is een stapelbed nou ook weer niet. En de kamer is meestal wel hoog genoeg, dus je kan wel rechtop in een stapelbed zitten. Een kind sowieso. R: Maar niet staan? M: Nee, dat wordt vaak een beetje moeilijk. R: Okee, dankjewel.